Over de oorsprong van natuur- en cultuurhistorie (I)

Bron: Radix, 1 oktober 1996, pag. 12;13;14;15;16;17

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Publicatiedatum: 1 oktober 1996

Over de oorsprong van natuur- en cultuurhistorie (I)

H. Wiegers
1. Introductie

In het jaar 1950 werd een conferentie gehouden over 'de ouderdom der aarde'. De gehouden voordrachten zijn gebundeld uitgegeven en omdat er grote belangstelling voor was, beleefden zij in 1955 de vierde druk'. De Christelijke Vereniging van Natuur- en Geneeskundigen (CVNG) wilde door deze uitgave christelijke academici gerieven en ook andere belangstellenden. Het vraagstuk 'is herhaaldelijk betrokken in discussies over de verhouding Geloof en Wetenschap'. De bundel ziet het licht, met overigens 'geen andere pretentie dan de huidige stand van het (ouderdoms-) vraagstuk zo goed mogelijk kritisch weer te geven', aldus de redactie in het voorwoord. In de loop van de tijd is 'de huidige stand van het vraagstuk' sterk veranderd, maar omdat de CVNG in 1970 werd opgeheven, mocht van haar geen bundel worden verwacht die de gewijzigde stand van zaken weergeeft. Er bestaat echter nog steeds verschil van mening over de verhouding geloof - wetenschap en het behoeft dus niet te verbazen dat ir. G. Boersma opnieuw aandacht vraagt voor de genoemde relatie; hij doet dat in het tijdschrift Radix, dat in 1974 werd opgericht.2 Wat mij in zijn artikel verbaast, is het ontbreken van een verwijzing naar een reactie op het in 1950 gehouden congres; een reactie die nogal van zich heeft doen spreken, zelfs tot in de internationale 'wereld' van de geologie toe. Ik doel hier op prof. dr. R. Hooykaas' (1906 - 1994) uitgebreide studie over het actualiteitsprincipe (in geologie, biologie en theologie): le druk 19593, 2e druk 19634 en als aanvulling daarop zijn 'Catastrophism in Geology' (1970)5. In de hem verwante academische wereld is er nauwelijks belangstelling voor geweest en ik ben van mening dat dit één van de redenen is dat de door Boersma gewenste discussie zich niet goed heeft kunnen ontwikkelen6. Een andere reden zou kunnen zijn dat Hooykaas veel in het Engels publiceerde; dit was echter niet het geval met de uitgave van zijn rede 'Natuur en geschiedenis' (1966)7, in 1963 uitgesproken op een vergadering van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Boersma wijst in zijn artikel op andere literatuur, verschenen in en rondom de kring van het GWG en daarbuiten. Wat daaraan ontbreekt, is, naast het oeuvre van Hooykaas8, de vermelding van bronnen die informeren over verschuivingen van uitgangspunten in de natuurwetenschappen zelf. Daaruit blijkt dat de autonomie ervan tegenwoordig wordt aangevochten door op haar grenzen te wijzen (Lagendijk9, Van den Beukei10). Daarnaast hebben we te maken met de invloed van het postmodernisme dat de 'ivoren toren' afbreekt" en J.H. van den Bergs analyse van de veranderingen van de tijdgeest12. Bovendien zijn er nogal ingrijpende verschuivingen binnen de aardwetenschappen zelf (van historische geologie naar geofysica en fysische geologie)13 en binnen de natuurgeschiedkunde de grotere aandacht voor het catastrofisme (in dit opzicht verwierf vooral de agnosticus of atheïst D.V. Ager zich naam).14 Na de publikatie van Boersma's pennevrucht verscheen het oriënterende artikel 'Schoppen tegen de wetenschap' van Marcel Hulspas15 met o.a. deze uitspraak 'dat de wetenschap lijdt aan een overschot aan nog onverklaarbare feiten'. Vervolgens kwam de derde druk uit van 'The End of Science"6, waaruit Hulspas17 o.a. citeerde 'Er zijn situaties waarin je gewoon de waarheid niet kunt achterhalen.'

2. Een andere invalshoek?
Gezien de ontwikkelingen sinds de jaren zestig zou ik Boersma's probleemstelling vanuit een andere invalshoek willen bekijken. Ik denk aan de relatie tussen natuur en geschiedenis. Vanuit beide vakgebieden zou de vraag naar de ouderdom aangepakt kunnen worden. In samenhang daarmee komt dan aan de orde wat moet worden verstaan onder de relatie geloof-natuurwetenschap. Daarbij denk ik aan drie mogelijkheden:
1. scheiding tussen geloof en natuurwetenschap (materialisme/atheïsme);
2. gelovige wetenschapsbeoefening (de bijbelse boodschap over het herstel van Gods Koninkrijk als uitgangspunt);
3. gelijksoortigheid van beide ('en dus integratie en harmonie', zoals Boersma stelt). De laatstgenoemde aanpak lijkt op die van de astronoom Howard Van Till, waarover de synode van de Christian Reformed Church (CRC) zich boog zonder tot een duidelijke uitspraak te komen18. Boersma gaat er vanuit dat we te doen hebben met tweeërlei kenbron t.a.v. de natuur: Bijbel en natuurwetenschap. Ze vullen elkaar aan. Exegese van de Bijbel en resultaten van de natuurwetenschappen zijn beide feilbaar mensenwerk. Ze kunnen ook beide gediskwalificeerd worden (p. 89), maar de oorspronkelijke kenbronnen niet.

3. Kern van de zaak: de 'natuur' onderdeel van Gods bestuur
Ik denk dat het bij de tweede van de genoemde invalshoeken om de kern van de zaak gaat, die daarom meer aandacht verdient in de discussie. Het door Boersma genoemde werken met tweeërlei kenbron gaat in de gereformeerde traditie terug op artikel 2 van de Confessio Belgica (NGB 1561): Hoe kennen we God? Als eerste kenbron wordt 'de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld' genoemd (accentuering van mij, H.W.); het gaat om wat deze als middel om God te kennen 'voor onze ogen' is. Verwezen wordt naar Romeinen 1, een hoofdstuk waarin de doorwerking van de zonde in de wereld duidelijk wordt getekend. In hoofdstuk 8 : 22 lezen we daarover verder: 'de ganse schepping in al haar delen zucht en (is) in barensnood'. Het geschapene en de mens staan niet los van elkaar. Beide ondervinden de gevolgen van de zondeval (vgl. Genesis 3 : 17b - 19). In artikel 2 worden zondeval en vloek niet vermeld. Maar dit artikel staat niet op zichzelf. Wat daarin is vastgelegd t.a.v. Gods zorg wordt in artikel 13 NGB verder uitgewerkt en dan is er sprake van 'de rechtvaardige oordelen Gods', die ons verborgen zijn. Vanuit de Bijbel hebben we er weet van en in de werkelijkheid van alle dag ervaren we ze: Gods goedheid èn zijn rechtvaardigheid. Ze blijken in de geschiedenis van de mensheid en in die van de haar omringende natuur het tehuis van de mensheid. Daar is geen discrepantie tussen, want het werk Gods is een eenheid. Er ontstaat naast de mens geen onafhankelijke autonome natuur. Gods geweldige aanwezigheid behoorde tot het gewone van de dag}9 Toen die boodschap werd aangevochten (door Adelard van Barth in 1130), doordat de rede op de eerste plaats kwam, begon Gods aanwezigheid uit de dingen 20 te verdwijnen. De ontwikkeling sindsdien van wiskunde en natuurwetenschappen is te beschrijven als de geschiedenis van Gods plaatsverandering, van zijn migratie. Ze vond plaats op een schaal die de stoutse verwachtingen van Adelard heeft overtroffen21. In de NGB vinden we geen sporen van deze ontwikkeling. Ze werd in 1561 opgesteld, toen de ontwikkeling van de 'moderne natuurwetenschappen' nog goed op gang moest komen. De later opgekomen 'natuurlijke theologie' die dacht zich te kunnen baseren op artikel 2 NGB, verdween na verloop van tijd als vanzelf door de opkomst en bloei van de exacte wetenschappen (18e eeuw)22 en door die van de historische geologie in de 19e eeuw. In die wetenschappen kon, zo dachten de rationalisten, God worden gemist. De exacte wetenschappen werden, sinds de Verlichting, hoofdzakelijk beoefend als autonome wetenschappen binnen een atheïstisch kader.23 24 25 De natuur wordt, los van God, gezien zoals ze ook nu nog wel wordt omschreven als 'de werkelijkheid buiten de mens; (bestaande uit) al wat waargenomen wordt of waarneembaar is'.26 Een materialistische, atheïstische opvatting.

4. Visie op de 'natuur' vanuit de Bijbel

De vermelde definitie is in strijd met wat de christelijke kerk altijd heeft beleden. De eenheid in het werk van God, in zijn zorg over al het geschapene, is hier verdwenen. Zijn we daar niet al teveel aan gewend geraakt? Wordt het geen tijd terug te gaan naar de oorspronkelijke eenheid van Gods Woord en werk? Bij haar bezinnen op deze materie komt mevrouw E.H. Schaeffer-de Wal27 tot de volgende uitspraak: 'De natuur is een fictie'. Ze vervolgt: 'ons spreken over DE natuur behoeft fundamentele nuanceringen.' Tenslotte constateerde ze: 'DE natuur bestaat niet, niet als homogene gesloten werkelijkheid, niet als zelfstandige macht, niet als dood alleen, niet als harmonie alleen'. Ze 'was een schoon boek, ...... gemakkelijk te lezen..... Maar die tekst is gecorrumpeerd - door de Spreker Zelf..... Zijn geschréven commentaar is de enig juiste informatie, legitimatie, kritische en herstellende interpretatie van de gesproken tekst. De goede schepping is door God aan de vruchteloosheid onderworpen, in hope echter...' (p. 98-99).

'Er is één werkelijkheid en deze is verscheurd, deze is kwaad en goed. En daarom kan er alleen maar een voortdurende strijd zijn, harmonie zou de harmonie van de dood zijn.' 'Maar om in deze strijd-werkelijkheid de goede strijd te strijden, de strijd voor het goede, moeten we de oorsprong van deze strijd weten, de partijen in die strijd kennen en weten om welk bezit deze strijd wordt gevoerd. Daarom moeten we deze, onze, werkelijkheid invoegen in het overkoepelend invoegingskader dat het Woord is' (p. 102), want 'Woord en werkelijkheid gaan beide open in de wisselwerking met elkaar' (p. 67) (accentuering van mij, H.W.). 'De sleutels tot het Woord liggen in onze werkelijkheid en de sleutels tot onze werkelijkheid liggen in het Woord. Beide gaan open in de wisselwerking met elkaar ... Dan zal... 'bovenal blijken dat het Woord onze werkelijkheid verstaat' ... (p. 69). Geen enkel gebied valt daarbuiten, ook niet de natuurwetenschap (p. 75). En waarom gaat het dan? Om het weer recht richten van de dingen (p. 154), binnen het Koninkrijk van God (p. 155). De Bijbel 'beschrijft in zekere zin het hele mensenleven en de hele mensheidsgeschiedenis' ... Ze 'vertelt van het Koninkrijk Gods in de mensenwereld en rangschikt daarnaar alle dingen' (p. 157-158). De overeenstemming van Woord-en-werkelijkheid ligt binnen de Bijbel. Als die wordt vervangen door overeenstemming buiten de Bijbel van Woord en onze werkelijkheid, dan kan er geen waarheid in de Bijbel zijn, die onze werkelijkheid kritiseert en zo weer herstellen kan (p. 178). 'Als waarheid niet voluit kan blijken in de Bijbel zelf, of dat nu is vanwege toonaangevende ideeën over schepping en wonderen, over wereldbeeld of verstaanshorizon ... hoe geloofwaardig is de waarheid van de Bijbel dan nog?' (idem). 'De werkelijkheid van het Koninkrijk Gods', (accentuering van mij, H.W.) waartoe de schepping behoort (en, in de geschiedenis daarvan, zondeval, vloek, zondvloed en spraakverwarring H.W.) 'vinden we als waarheid in de Bijbel' (p. 179). Wanneer voor iemand die eenheid uit elkaar valt, komt hij in onoplosbare problemen (p. 191).

5. Consequenties voor de geschiedschrijving
Met de stellingname, geformuleerd in de vorige paragraaf, zijn we weer terug bij het oorspronkelijke uitgangspunt van de christelijke kerk: Gods geweldige aanwezigheid behoort tot het gewone van de dag. Voor wie daaruit leeft, is het leven één, is er duidelijkheid over de oorsprong van alle dingen en over het eschatologische perspectief. Wat dit m.i. betekent voor het karakter, de grenzen en de onmacht van de historiografie van de natuur en van de cultuur, hun onderlinge relatie, dateringsmogelijkheden en -moeilijkheden, hoop ik in een vervolg op dit artikel aan de orde te stellen.


Ing. H. Wiegers (1927) is ingenieur-geoloog. Adres: Heemskerkstraat 36, 9402 KK Assen.


Noten:
1. G.J. Sizoo et al. : De ouderdom der aarde, 4e druk, Kampen 1955.

2. G. Boersma in: Radix 22, 1996 pag. 80-104.

3. R. Hooykaas: Natural Law and Divine Miracle. A historical-critical study of the Principle of üniformitiy in Geology, Biology and Theology, Leiden 1959.

4. De titel werd gewijzigd in: The Principle of Uniformity in Geology, Biology and Theology, 2e druk. Leiden 1963.

5. Catastrophism in Geology: its scientific character in relation to Actualism and Uniformitarianism. Amsterdam, 1970. Ook in: Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, 33, 1970, pag. 271-316.

6. Hierop ben ik uitvoeriger ingegaan in het artikel: 'De zekerheid die blijft. Rehabilitatie van Kuijpers evolutie-rede' in: Bijbel en Wetenschap, 21 nr. 188, p. 23-26.

7. Zie: Mededelingen der K.N.A. W., afd. Letterkunde, Nieuwe reeks 29, 1966, p. 377-447.

8. Een bibliografie van Hooykaas (t/m. 1976) is opgenomen in: Capita Selecta uit het werk van Prof. dr. R. Hooykaas, Utrecht 1976, p. 9-19.

9. A. Lagendijk: De arrogantie van de fysicus, Bloemendaal 1989.

10. A. van den Beukei: De dingen hebben hun geheim. Gedachten over natuurkunde, mens en God, Baarn 1990.

11. Zie o.a.: A. Klukhuhn: De hypothese van het heden. Nijkerk 1989.

12. J.H. van den Berg: Metablica van de materie. Nijkerk 1968, en: Gedane zaken, 1977.

13. R.M. Wood: The Dark side of the Earth. The Battle for the Earth Sciences, 1800-1980, London 1985, en M.J.S. Rudwick: The meaning of Fossils, Amsterdam 1966. p. 257-260.

14. D.V. Ager: The New Catastrophism. The importance of the rare event in geological history, Cambridge (U.K.) 1993.

15. In: Intermediair 19 juli 1996.

16. J. Horgan: The End of Science. Facing the Limits of Knowledge in the Twilight of the Scientific Age. 3e druk, Addison-Wesley, Reading Massachusetts 1996.

17. M. Hulspas: Het einde van de Wetenschap. In: Intermediär. 11 oktober 1996.

18. H. Wiegers in: Vierde Scheppingsdag of Oerknal? Amersfoortse Studies 7, Amersfoort 1991, p. 4-15

19. J.H. van den Berg: a.w. 1968. p. 312.

20. J.H. van den Berg: a.w. 1968, p. 299.

21. Idem, p. 299-300.

22. Uitvoerig besproken in: H. Wiegers: 'Natuurlijke theologie van Dordt tot Darwin', Petahja, jg. 36, juni-juli 1982; eveneens in de jubileumbundel 'Er staat geschreven ... Er is geschied', Groningen, 1986, p. 142 - 146.

23. Dr. J.H.G. van den Berk, 'De dingen en hun wetenschap', Nijkerk, 1970, p. 124.

24. R. Vermij, 'De conservatieve kosmos van de achttiende eeuw' Gewina 17, 1994, p. 83 - 95.

25. J.H. van den Berg meent dat er tussen 1650 en 1800 een breukvlak ligt op het gebied van alle wetenschappen. Hij noemt als jaar van de omslag 1733 ('Metabletica van de materie', p. 383 e.v.). In de veranderingen die volgen, gaan de natuurwetenschappen voorop. Daardoor ontstaat een nieuw material iteit, het leven is niet meer één. De wereld wordt humanocentrisch (p. 433). De (westerse) mens wordt gevraagd, voor het eerst in zijn geschiedenis, zonder God uit te komen (p. 434).

26. Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie, deel 17. Hasselt/'s Gravenhage 1977.

27. E.W. Schaelïer-de Wal: Het Koninkrijk van God als absolute, eigentijdse werkelijkheid (II) in: Radix 19 (1993) p. 91. De in de tekst genoemde paginanummers verwijzen naar dit artikel.